Ruimteseizoen deel 3: In Memoriam: Hank (de planetoïde die er waarschijnlijk voor zorgde dat de dinosauriërs uitstierven)

Het was een kleine vijf miljoen lichtjaren geleden, maar het voelt nog als wat hier op aarde als gisteren doorgaat, dat ik op topsnelheid in het allesverblindende licht met mijn zwerm door Dit Alles zweefde, en ver, ver, heel ver van onze groep vandaan een eenzame aardappelvormige klomp zag. Wij meteoren houden ervan om in groepen te reizen. Losse meteoren noemen we sporadische meteoren, omdat zij zeldzaam zijn en wij pretentieus, snap je. Daarom willen alle meteoren deel van een zwerm zijn. We geven samen mooier licht.

De aardappelvormige klomp die ik in de verte zag, was Hank. Hank was een planetoïde. Die gaan in een baan om de zon, tot ze dat niet meer gaan omdat ze ergens tegenaan botsen. Het is behoorlijk tragisch al je erover nadenkt. Ze zijn hier in Dit Alles, maar hebben toch geen enkele vrijheid. Als ze die vrijheid vinden, betekent dat het einde van wat een relatief eeuwig planetoïdenleven zou kunnen zijn.

Er was iets aan die aardappelvormige klomp dat me intrigeerde. Het eenzame, het onbeholpene. Ik, als deel van een onwijs coole meteorenzwerm, had nooit zo’n eenzaamheid ervaren. Ik wist ook niet dat ik er behoefte aan had, tot ik Hank zag. Hij straalde in al zijn sporadisch-heid minder hard dan mijn zwerm, maar beter, mooier. Hij straalde kalmte uit, intelligentie, een onnavolgbaar soort aantrekkingskracht die hier in Dit Alles moeilijker te omschrijven is. Het was astronomisch gezien namelijk een stuk logischer geweest als Hank zich aangetrokken had gevoeld tot ons, de zwerm. Maar juist die standvastigheid waarmee hij in zijn baan bleef, deed mij beseffen wat ik al die jaren had gemist. Ik was een meeloper geweest. En deze aardappelvormige klomp zou mijn inspiratie zijn tot het worden van een betere meteoor, een meteoor die tot in de diepste kern zijn eigen pad volgt – ik kan niet zeggen dat ik na alles wat Hank heeft betekent voor het universum trots ben op deze motivatie, maar het is niet anders.

Met de grootst mogelijke moeite rukte ik me los van de zwerm – en dit is echt de grootst mogelijke moeite, stel je even daadwerkelijk de grootst mogelijke moeite voor, we hebben hier te maken met een vorm van zwaartekracht die jullie op Aarde niet kennen. De moeite die ik moest doen om los te komen van de zwerm, is vergelijkbaar met de moeite die een mens zou moeten doen om een cruiseschip met zijn of haar tanden over de Stille Oceaan heen te trekken. Het zal vast mogelijk zijn, maar eenvoudig is het zeker niet.

Ik trok richting zijn baan om de zon, om hem te kunnen volgen. Het was typerend voor Hank dat hij een hele tijd – eigenlijk sinds ik hem zag tot de moment dat hij verdween – heeft gedaan alsof hij mij niet opmerkte. Dat was voor een metafoor voor de vanzelfsprekendheid van onze astronomische vriendschap. Ik ontnam hem zijn eenzaamheid, zijn planetoïdengruis waaide langs mijn kraters, en dat is ongeveer zo intiem als je met elkaar kan zijn in Dit Alles. Op een gegeven moment was onze band zo vanzelfsprekend dat ik automatisch achter hem aan slingerde als hij even uit zijn baan raakte, het ging gewoon vanzelf. Behalve die keer dat hij zo uit zijn baan slingerde, dat hij door de dampkring vloog, en tegen de aarde botste.

We waren nog jong en onaantastbaar, zo relatief jong als je als hemellichaam zijn kan, en zo relatief onaantastbaar als een meteoor en een planetoïde kunnen zijn. We hadden weinig te veroveren. Ik voelde me gevangen in het vrijheid van het uitdijende heelal. Ik was verloren. Mijn meteorenleven was op dat moment precies zoals het moeten zijn, en daarmee niet zoals het zou moeten zijn. Weinig mensen weten hoe gevoelig een hemellichaam kan zijn. Probeer maar eens in discussie te gaan met kosmisch stof, of een dwergplaneet voor de voeten te lopen. Een paar miljard jaar geleden vloog ik eens door een moleculaire wolk, en ik heb soms nog nachtmerries van de verwensingen die ik toen naar m’n meteorenheid geslingerd kreeg.

Hank heeft me nooit het gevoel gegeven dat mijn aanwezigheid in Dit Alles teveel was. Hij was mijn aardappelvormige rots in de branding, maar zacht als het gas van een komeet. Ik noemde hem mijn komeet in crime, terwijl hij dat eigenlijk niet was. Het is het hemellichamelijke equivalent van iemand een watje noemen, maar dat vond hij niet erg. Het was een geuzennaam en Hank snapte dat als geen ander. Hank gaf om de kleine dingen, het gruis, de deeltjes, de leegte. Dat hoefde hij me niet te vertellen, het was gewoon zo. Als hemellichaam heb je weinig nodig om elkaar te begrijpen.

Je zou kunnen zeggen dat deze necrologie mosterd na de maaltijd is. Het kostte me wat tijd om te achterhalen hoe ik Hanks bestaan in woorden moest vatten. Op precies, maar niet al te precies te zijn, kostte het me zo’n 65 miljoen aardse jaren. Ik moest ervoor dichtbij de dampkring komen. Ik moest me laten zien aan de mensen op aarde, de aardelichamen, zoals we ze formeel gezien moeten noemen, als een lichtflits waarbij jullie wensen doen. Wat jullie een vallende ster noemen, kan ook heel goed een allesverwoestende meteoriet zijn die ontploft in de dampkring en een aardbeving veroorzaakt en alles verwoest waar je zogenaamd om geeft. Ik heb mijn leven gewaagd om jullie te leren kennen en met het wagen van mijn leven breng ik de aarde misschien in gevaar, maar ik kan tenminste zeggen dat ik vanuit dit alles de aarde begrijp.

Want jullie hebben het misschien niet door, maar na zoveel miljarden jaren in Dit Alles hebben wij hemellichamen begrip van jullie bewustzijn, jullie futiele levens, dingen waar jullie over huilen – ik wist niet wat dat was, huilen, maar ik weet het nu wel. Soms vond ik mensen die huilden om een vallende ster, omdat ze er een soort betekenis aan toekenden. Dat vond ik grappig. Als Hank had geweten dat ik moest lachen om huilende aardse lichamen, had hij me stilzwijgend gecorrigeerd, zo’n hemellichaam was hij.

Maar Hank is niet meer. Hank is, zowel wij in de meteorenzwerm dat noemen, geland. Hank is geland op Aarde, Melkweg, Ergens hier in Dit Alles. Hij is gegaan zoals hij wilde, door de dampkring, heeft Dit Alles achter zich gelaten terwijl dat eigenlijk onmogelijk zou moeten zijn. In tegenstelling tot bij mensen wordt het leven van een planetoïde wel degelijk bepaald door tijd, en niet door de impact zij hebben op alles om hen heen. Toch is Hank hier de enige uitzondering op. Hij is degene die alles in werking heeft gezet. Toen Henk tegen de aarde botste, sloeg hij een gat in de aarde waar jullie mensen je voetstappen in hebben kunnen zetten.

Het uitsterven van de dinosauriërs, die tegenwoordig iets aandoenlijks lijken te hebben, maar jullie zouden vermorzelen en/of opeten als ze er nog waren geweest. Dat hebben jullie te danken aan Hank. Er brak een nieuw tijdperk aan, het Mesozoïcum. Door de dood van de dino’s konden zoogdieren zich in slechts enkele miljoenen jaren tot grotere soorten ontwikkelen. De ontwikkeling van de zoogdieren is nauwelijks gestopt tot jullie kwamen, mensen. Het is pure ondankbaarheid tegenover Hank dat jullie neushoorns en tijgers laten uitsterven. Zij zijn er net als jullie alleen maar dankzij Hanks enkele reis naar de Aarde.

Het doet me goed dat Hank op deze plek een laatste rustplaats gevonden heeft, de meesten van ons die na miljarden en miljarden jaren exploderen, is dat niet gegund. Maar na zijn landing is Hank opgegaan in de Aarde, jullie staan elke dag op de erfenis van zijn bestaan zonder het door te hebben. Jullie huilen om meteoren die iets te dicht bij de dampkring zijn en een lichtflits opleveren, maar jullie huilen niet om Hank. Daarom leek het me gepast om vandaag even stil te staan bij het soort hemellichaam dat Hank is geweest: onbaatzuchtig, onopmerkzaam, en laten we eerlijk zijn, ook een beetje onhandig.

Hier in Dit Alles hebben we wel de tijd om stil te staan bij het verlies, maar stilstaan is praktisch voor de meeste van ons hemellichamen niet echt mogelijk. Ondertussen begrijp ik dat jullie je soms nog altijd druk maken om het uitsterven van die verrekte dino’s. Om Hanks bestaan levend te houden, kan ik niks minder van jullie vragen, dan om elke keer dat je aan een tyrannosaus of veliciraptor denkt, ook even denkt aan Hank, de planetoïde die alles mogelijk maakte.

Deze tekst werd voorgedragen op het Boekenfeest 2018, tijdens een programma van Op Ruwe Planken.